Bij storm was Ameland in de tijd van de zeilvaart voor schepen al snel lagerwal. De aanzet tot een georganiseerd reddingswezen langs de Nederlandse kust werd gegeven toen op 14 oktober 1824 het schip *De Vreede* verging voor de kust van Huisduinen. Voor iedereen die ook maar een beetje betrokken is bij het reddingswezen is dat een bekend verhaal. Veel minder bekend is dat in diezelfde nacht het Deense schip *Louise Augusta* strandde, iets ten noorden van Ballum. Twee Amelanders waagden een reddingspoging: zittend op een paard trotseerden zij de branding en brachten de schipbreukelingen één voor één naar het strand.
Vrijwel direct na de oprichting van de Redding Maatschappij kreeg Ameland de beschikking over een open, onzinkbare Groenlandse sloep. Deze reddingboot verrichtte op 6 februari 1825 haar eerste succesvolle redding, waarbij zeven bemanningsleden van het Britse schip *Ann of Sunderland* veilig aan land werden gebracht. Al snel werd duidelijk dat bij iedere storm rond Ameland meerdere schepen in problemen kwamen. Daarom besloot het bestuur van de Redding Maatschappij in 1826 een tweede reddingboot op Ameland te stationeren. Deze kleinere boot werd in Hollum geplaatst, maar bleek beperkt inzetbaar en werd in 1843 vervangen door eenzelfde type boot als die in Nes.
Amelander redders hebben het leven van honderden zeelui gered, vaak met gevaar voor eigen leven. De eerste slachtoffers vielen in 1844, toen twee redders van het station in Nes omkwamen bij een poging een opvarende van het schip *Diane* te redden. Op 25 augustus 1861 verdronken vijf Hollumer redders tijdens een reddingspoging van de opvarenden van het Noorse schip *Dieppe Packet*. Deze tragedies tonen de keerzijde van de medailles en oorkondes die de redders ontvingen.
Pas in de vorige eeuw, toen motorreddingboten de roeireddingboten vervingen, werd het werk voor de Amelander redders minder riskant. Toch maakten deze boten, vooral in de oorlogsjaren, nog vele gevaarlijke tochten. Het roeitijdperk, waarin schippers als Gerben Jans Toren (40 dienstjaren) en Jacob Folkerts Visser (37 dienstjaren) bekend werden, duurde in Hollum tot 1937 en in Nes tot 1946.
Op 14 augustus 1979, rond acht uur ’s ochtends, werd de paardenreddingboot opgeroepen om hulp te bieden aan het Duitse schip *Windspiel 4*, dat in nood verkeerde. Er stond een stormachtige zuidwestenwind en er was een sterke ebstroom. Tijdens de tewaterlating ging het echter mis: de oplegger en de paarden werden voor de ogen van de bemanning de diepte in getrokken. De reddingspogingen mislukten doordat de slipketens, die in noodgevallen hadden moeten loskomen, niet functioneerden. Binnen enkele minuten zonken de paarden samen met de oplegger.
Na deze ramp werd uitvoerig gediscussieerd over het opleiden van nieuwe paarden voor de reddingboot. Na tien maanden oefenen was het reddingsstation in Hollum weer operationeel. Toch werd steeds minder vaak een beroep gedaan op de motorstrandreddingboot en steeds vaker op modernere vlets en rubberboten. Deze nieuwe boten waren sneller en efficiënter, wat het einde betekende van de traditionele paardentractie.
Tegenwoordig kunt u twaalf keer per jaar op Ameland een demonstratie van de oude reddingboot bijwonen. Tien krachtige paarden trekken de boot met donderend geweld over het strand en door de branding de zee in. De tewaterlatingen vinden plaats op het strand ten zuidwesten van Hollum, aan het einde van het Tjettepad.