Ga direct naar inhoud

In de zeventiende en achttiende eeuw kende Ameland, dankzij de walvisvaart, een periode van ongekende welvaart. Amelanders waren frequent te vinden in de havenstad Amsterdam vanwege de koopvaardij. Rond 1719 begonnen de Amelanders zich bezig te houden met de walvisvangst. Talloze Amelanders gingen aan de slag als harpoenier, speksnijder of commandeur (kapitein).

De commandeurs werkten in het voorjaar geschikte bemanningsleden op het eiland bijeen. Elk schip had tussen de 40 en 50 bemanningsleden aan boord. Gedurende een eeuw gingen honderden Amelanders in de ijskoude zeeën rond Groenland op jacht naar walvissen. De zoektocht naar deze grootste zoogdieren ter wereld was niet zonder gevaar. Nadat een walvis was opgespoord, gingen de sterkste mannen van het schip het dier te lijf met harpoenen vanuit een klein roeibootje. Dit betekende het begin van een langdurige strijd tussen mens en dier. Meestal won de mens, maar soms was het dier sterker. Regelmatig vernietigde een walvis met een klap van zijn enorme staart zo’n klein bootje. Vele Amelanders hebben dan ook hun leven ver van huis verloren.

De commandeurs waren gerespecteerde figuren op het eiland. Veel van hun oude huizen in Hollum, Ballum en Nes herinneren nog aan die tijd. Deze huizen zijn herkenbaar aan een dubbele rij uitstekende richelsteentjes in de voorgevel, terwijl ijzeren ankers het bouwjaar aangeven. Een interessant feitje is dat commandeurs een dubbele rij richelstenen in de gevel kregen, een stuurman één rij, en een gewone matroos of speksnijder helemaal geen.

De tochten waren dus levensgevaarlijk, maar de vangsten waren de moeite waard. Bijna elk deel van de walvissen werd gebruikt. Walvissen leverden belangrijke vetten en oliën op als voedsel en brandstof. Van de baleinen werden schoenlepels, kwasten, bestekhandvatten en haarkammen gemaakt. Ze werden ook gebruikt in dameskorsetten. Van de haren werden kwasten gemaakt. Beenderen werden gebruikt als dakgoten en schouderbladen dienden als stoepstenen. Er werd ook gejaagd op zeehonden en walrussen vanwege hun dikke speklaag en de behoefte aan levertraan (een dierlijke olie). Op Ameland zijn nog steeds erfafscheidingen te vinden gemaakt van ‘bonkepalen’, stukken bot uit de onderkaak van een walvis.

De walvisvaart liep in de tweede helft van de 18e eeuw langzaam ten einde door intensieve bevissing. In 1771 werd het schip van de Hollumer Hidde Dirks Kat verpletterd door het ijs, waarbij een deel van de bemanning omkwam. Dit zorgde ervoor dat veel eilanders hun aandacht op andere inkomensbronnen richtten, zoals werk in de koopvaardij als vrachtvaarder.